Andel

Andel, in de dorpsmond ook wel Ael genoemd, bestaat uit Op- en Neder-Andel. De vondsten van Romeins aardewerk duiden
op bewoning, die terug gaat tot de 2de eeuw na Christus. In de 9de eeuw wordt het dorp voor het eerst in geschreven bronnen
vermeld. De hervormde kerk van Op-Andel dateert uit de 13de eeuw, van de kerk van Neder-Andel is alleen nog de toren
over. Op het kerkhof bij deze toren is Jan Claessen begraven. De legende wil dat dit de Jan Claessen is, die trompetter was
in het leger van de Prins van Oranje.

Bewoning

De oudste vermelding van het dorp, als villa Atialo, komt voor in een handschrift uit circa 850. De oorsprong van de naam is te
vinden in de Germaanse woorden ana (= hoger gelegen) en lo (=bos). Zowel Op- als Neer-Andel werden echter al in de Ro-
meinse tijd bewoond. Dit blijkt uit archeologische vondsten die gedaan werden onder meer achter het oude gemeentehuis aan
de Dorpsstraat te Neer-Andel en op ’de Kwel’ te Op-Andel. De stijging van het zeewater, de zgn. transgressie, veroorzaakte
tussen de 5de en de 9de eeuw in het laag gelegen Land van Altena veel wateroverlast. Op een aantal plaatsen was zelfs spra-
ke van een tijdelijke onderbreking van de bewoning; ook Andel was gedurende deze periode nauwelijks bewoond.
Toen het water zich in de 9de eeuw langzaam maar zeker terugtrok, kwamen de mensen ook weer terug. Het spreekt voor zich
dat eerst de hoger gelegen gronden bewoond en gecultiveerd werden, zoals de percelen ’Huiswerf’ en ’Konijnenberg’ (op de
plaats van de gelijknamige straat en de Prins Bernhardstraat). Hier werden in de bodem de sporen van een versterkte boerde-
rij gevonden. Het zou echter nog tot de 12de eeuw duren voordat er sprake was van een nederzetting van enige omvang, maar
meer dan enkele tientallen huizen en boerderijen zal het dorp niet geteld hebben. Uit een belastingkohier van 1632 weten we
dat er in dat jaar 91 huizen in Andel stonden. Dat impliceert een bevolking van ongeveer 450 personen. Sindsdien is het inwo-
nertal meer dan vervijfvoudigd.

Oude herbergen

In het verleden is er in de Nederlanden langs wegen en vaarten een uitgebreid netwerk van herbergen ontstaan. Ze boden de
reiziger de mogelijkheid tot overnachting, verpozing en het gebruik van een maaltijd. Langs de doorgaande wegen bedroeg de
afstand van de ene naar de andere herberg vaak niet meer dan tien kilometer. Ook Andel had binnen zijn grenzen in het verle-
den in ieder geval twee van zulke logementen: zo is daar op de eerste plaats het veerhuis De Zwaan bij het veer Andel - Poede-
roijen. Gebruikers van dit pontveer alsmede de passagiers van de beurtschippers van Heusden en Den Bosch naar het westen
van Holland vice versa, vonden hier onderdak. Dit huis, waar een fraai begin 19de eeuws uithangbord aan de gevel prijkt, is
gelegen in een kronkel van de Maasdijk ten zuidoosten van het dorp en werd al in 1759 vermeld. Daarnaast is er nog sprake
van de herberg De Rib, gelegen ten noordoosten van de dorpskern van Op-Andel. Deze herberg kan bogen op een nog veel
hogere ouderdom. Reeds in 1559 wordt er een Elisabeth Pietersdr. genoemd als waardin van deze herberg. In De Rib ging het
er echter niet altijd even gemoedelijk aan toe. Uit de archieven blijkt dat in deze herberg met de regelmaat van de klok vecht-
partijen plaatsvonden; op 17 augustus 1728 loopt een handgemeen echter zodanig uit de hand dat er een dode te betreuren valt.
Een zekere Arien Starkenborg wordt door Cornelis van Dam, een Andelse kleermaker, met een ’bloot mes’ in de borst gestoken
en sterft kort daarop. De dader werd bij de kraag gevat en ter dood veroordeeld. Op een schavot voor het stadhuis van Woudri-
chem werd hij enkele weken na zijn veroordeling door de beul uit Dordrecht, die het Land van Altena tot zijn werkgebied mocht
rekenen, onthoofd.

De heerlijkheid en de heren van Andel

Omdat de middeleeuwse landsheren geen wettelijk recht op belastingheffing hadden, moesten zij op andere wijzen de benodigde
geldmiddelen genereren. Een van de mogelijkheden was om tegen betaling een stuk van hun overheidsmacht af te staan aan par-
ticulieren. Ze verkochten dan (een deel van) hun rechten en regeermacht rustende op hun grondgebied, tezamen een heerlijkheid
vormend. De macht van de particulier als bezitter van de heerlijkheid is verschillend naar gelang de landsheer meer of minder
rechten had verkocht. Zo onderscheiden we lage, middelbare en hoge heerlijkheden. Kwam de heer alleen het recht toe geschillen
tussen burgers te berechten, dan spreken we van een lage heerlijkheid. Andel was zo’n lage heerlijkheid. Behalve de bevoegdheid
civiele geschillen te beslechten had de heer van Andel het recht op het schout- en secretarisambt en het recht de schepenen, kos-
ter, schoolmeester en voorzanger aan te stellen. Daarnaast had hij het recht van approbatie van een te beroepen predikant en stem-
recht in de benoeming van de kerkmeesters en polderbestuurders. Alhoewel er dus enige inkomsten verbonden waren aan de heer-
lijkheid (b.v. uit de verpachting van het schout- en secretarisambt) kochten de meeste particulieren een heerlijkheid omdat het chi-
que was een titel te voeren. Met de komst van de Fransen in 1795 werden alle heerlijke rechten officieel afgeschaft en bij de invoe-
ring van de grondwet van 1848 werden ook de erfelijke titels in de ban gedaan: de laatste ’heer van Op- en Neer-Andel’ was een
baron Melvill van Carnbee. Hij was de laatste in de lange rij heren die begon met Willem van Andel die leefde in het begin van de
13de eeuw.

Middelen van bestaan

Tot en met de 19de eeuw vond de Andelse bevolking zijn bestaan in de veeteelt en de akkerbouw. Uit de archieven weten we dat er
vooral rundvee en paarden gehouden werden. De akkerbouw leverde tarwe, gerst, hennep, vlas en peulvruchten op. De uiterwaarden
en de lager gelegen gronden werden benut voor de vetweiderij, de produktie van zuivel en hooi en de paardenfokkerij. Op de dras-
sige gronden langs de Maas werden riet en griendhout gesneden. Daarnaast telde Andel enkele schippers, vissers en handwerkslieden
zoals rietdekkers, timmermannen, smeden en bakkers. Een grote groep dorpelingen leefde van losse loonarbeid en verhuurde zich aan
de boeren of verrichtte graafwerkzaamheden aan dijken, straten en weteringen in dienst van het dorp, de stad of het waterschap.
Vooral de bakkers zullen in Andel in de 17de en 18de eeuw een karig belegde boterham verdiend hebben. Omdat het graan in het ge-
west Gelderland i.v.m. lagere belastingtarieven, stukken goedkoper was dan in het tot het gewest Holland behorende Andel, bestond
er een bloeiende smokkel van brood, beschuit en meel van Poederoijen over de Maas naar Andel. In roeibootjes bracht men ’s nachts
illegaal het brood van de Gelderse oever van de Maas naar Andel. Om de smokkel tegen te gaan liet het gewestelijk bestuur van Hol-
land chergers of douaniers langs de Maas patrouilleren. Degenen die betrapt werden kregen als straf een hoge geldboete; kon men
deze niet betalen, wat nogal eens voorkwam, dan werd men verbannen uit het Land van Altena of het gewest Holland. De hoge straf-
maat was daarin gelegen dat smokkelaars beschouwd werden als dieven die van hun eigen land stalen.


(Bron: website gemeente Woudrichem)